Conscriptie en Loting - 1798-1909

Bob Steel, juni 2008

 

Inleiding

Alvorens een en ander uiteen te zetten over de conscriptie en loting in Frankrijk en in onze gewesten, lijkt het me nuttig eerst even enkele gebeurtenissen in herinnering te brengen.

De 18de eeuw was voor de Zuidelijke Nederlanden een heel bewogen tijdspanne. Bij de Vrede van Utrecht van 1713 kwamen de Spaanse (dus Zuidelijke Nederlanden) + Veurne en Ieper in Oostenrijks bezit. Toen keizerin Maria-Theresia van haar vader de kroon erfde, barstte de Oostenrijkse Successie-Oorlog los. Onze gewesten werden daarop gedurende 3 jaren bezet door troepen van de Franse koning Lodewijk XV. In 1748 kreeg Maria-Theresia de Zuidelijke Nederlanden terug. Haar schoonbroer Karel Alexander van Lotharingen werd tot onze gouverneur-generaal benoemd en toen begon een vrij lange periode van vrede.

Toen keizer Jozef II – hoewel verlicht despoot was hij zijn tijd ver vooruit – in het laatste kwartaal van de eeuw in onze gewesten grondige hervormingen wilde doorvoeren op bestuurlijk, rechterlijk én kerkelijk gebied, brak in 1789 de Brabantse Omwenteling uit. De Oostenrijkers werden verjaagd en de "Onafhankelijke Nederlandse (of Belgische-) Staten" uitgeroepen. Door de verdeeldheid tussen de Vonckisten en de Statisten konden de Oostenrijkers in 1790 gemakkelijk een einde maken aan de opstand en aan de jonge republiek. De Oostenrijkse restauratie leek definitief.

In november 1792 versloeg een Frans revolutieleger onder leiding van Dumouriez de Oostenrijkers bij Jemappes. Meteen volgde een eerste annexatie van onze gewesten. Een jaar later het omgekeerde bij Neerwinden. De 2de Oostenrijkse restauratie was maar voor even want in juni 1794 was bij Fleurus de overwinning voor de Franse generaal Jourdan. En opnieuw volgde een Franse bezetting.

In 5 jaar tijd hadden onze voorouders dus onder zes verschillende regimes geleefd !

Op 1 oktober 1795 volgde de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik door de Franse Republiek. Twee jaar later zou Oostenrijk in het Verdrag van Campo Formio definitief afstand doen van onze gewesten. En twintig jaar lang zouden we een deel vormen van de Franse Republiek.

De republikeinse hervormingen veranderden onze samenleving zeer drastisch. Net als in Frankrijk werd het land ingedeeld in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten. Op juridisch vlak maakte het tradionele geschreven en ongeschreven recht plaats voor republikeinse bestuursvormen, tribunalen en wetten. In 1804 werd het Franse burgerlijke rechtboek, de Code Napoléon ingevoerd. Bevoorrechte klassen van adel en clerus en gilden werden afgeschaft. De bestuurstaal werd het Frans en de verfransing zette zich onmiddellijk sterk door. Er kwam een aanzienlijke wijziging in de verhouding tussen kerk en staat. Burgerlijke stand, kalender, ziekenverpleging, armenzorg, onderwijs werden gelaïciseerd. Vele kloostergemeenschappen moesten ontbinden en kerkelijke goederen werden in beslag genomen. Dat alles met kerkvervolgingen er boven op waren de oorzaken van de Boerenkrijg, nu 210 jaar geleden. En de aanleiding tot die opstand was de conscriptie.

Conscriptie stamt uit het Latijn. Conscribere is "op een lijst zetten". Conscriptie werd ingevoerd tijdens de Franse Tijd, in de Zuidelijke Nederlanden in 1798, in Holland in 1810. Op die lijsten werden alle jongemannen van 20 jaar ingeschreven voor militaire dienst. Ze werden "conscrits" genoemd.

Conscriptie in de Franse Tijd

De traditionele wijze van recruteren van soldaten door het in dienst nemen van vrijwilligers en huurlingen voldeed niet meer voor de jonge en oorlogvoerende Franse Republiek. Er was een massale aanvoer van soldaten nodig. Daarom ging men over tot een systeem van gedwongen inlijving.

De wet van 24 februari 1793 voorzag dat alle ongehuwde en kinderloze mannen tussen 18 en 40 jaar zich moesten ter beschikking houden voor militaire dienstplicht. Door de verslechterde militaire situatie (o.a. Valenciennes was in buitenlandse handen gevallen) besloot het republikeinse bewind van de Conventie tot "une levée en masse" waarbij in theorie de hele mannelijke bevolking kon worden opgeroepen.

Massale oproepingen werden vastgelegd in de wet Jourdan-Delbrel van 19 Fructidor van het jaar VII (5 september 1798). Zij gold voor alle Fransen, dus ook voor de bewoners van de geannexeerde gebieden. Voor de eerste maal zouden onze voorvaderen moeten dienst nemen in het leger van de bezettingsmacht en alhier te lande of in de vreemde gaan strijden voor vreemde belangen. De wet bepaalde een algemene mobilisatie in oorlogstijd, een mobilisatie van vrijwilligers aangevuld door dienstplichtigen in vredestijd en het aanleggen van een vaste en grote wervingsreserve.

Er was géén loting voorzien in de wet-Jourdan-Delbrel. De wet Jourdan-Delbrel stelde dat elke mannelijke burger van zijn 20ste tot zijn 25ste kon opgeroepen worden voor militaire dienst. En de gemeenten moesten zorgen voor het correct invullen van de conscriptielijsten. Elk jaar werden 5 lijsten opgesteld van mannen in eenzelfde jaar geboren. Wie op 1 vendémiaire VII (22 september 1798) 21 jaar was, behoorde tot klas 1. Wie op die datum 22 jaar was, behoorde tot klas 2 enzovoort. De jongsten, dus klas 1, waren eerst oproepbaar. Dan volgde klas 2 enz. Pas op zijn 25ste was men definitief vrijgesteld. Per decreet legde men de getalsterkte vast. De jongste klas was er dus altijd bij. Voorts bepaalde men tot welke dag van het lichtingsjaar men moest komen om de vereiste getalsterkte te behalen. Repressieve maatregelen moesten ontduiking verhinderen of ten minste ontmoedigen. Wie niet meewerkte werd zonder pardon vooraan op de lijst geplaatst.

Enkele weken na de goedkeuring van de wet Jourdan-Delbrel werden 200.000 manschappen van klas 1 gemobiliseerd. Ze moesten zich klaar houden om bij het eerste bevel uit te rukken. Het was ondermeer die mobilisatie die onze gewesten tot oproer aanzette en de Boerenkrijg ontketende.

De wanordelijkheden braken eerst uit in Overmere, gevolgd door een formele opstand in de Antwerpse Kempen, het Hageland en Limburg. Na enkele aanvankelijke successen werden de opstandelingen definitief verslagen bij Hasselt op 5 december 1798. De nederlaag was vooral te wijten aan de gebrekkige bewapening en povere bevoorrading, het gemis aan militaire training en het totaal ontbreken van steun door de Geallieerden. De repressie was ongemeen hard.

Terug naar de conscriptiewetgeving. Een nieuw decreet van 28 nivôse VII (17 januari 1799) beperkte de macht van de gemeenten ten voordele van het centrale gezag. Vrijstellingen die de gemeenten voorheen soms te gemakkelijk gaven, werden nu tegen veel striktere voorwaarden opgelegd. De gemeente mocht slechts voor 12 categorieën vrijstelling geven, het centrale gezag (het Directoire) voor 28 categorieën. Gevolg : slechts weinigen kregen nog vrijstelling. Desertie kwam er des te meer. Een voorbeeld ? Van de 455 conscrits uit Gent deserteerden er 270 op weg naar hun kazerne.

Nog in hetzelfde jaar 1799 kwam er enige versoepeling in de wetgeving op de conscriptie. De wet van 28 germinal VIII (17 april 1799) aanvaardde dat de conscrits van te voren bijeenkwamen om vrijwilligers aan te duiden en om bij gebrek aan voldoende vrijwilligers over te gaan tot een loting om het vereiste contingent te kunnen leveren. Meteen kreeg het systeem van loting een wettelijk karakter.

Een versoepeling van de conscriptie kwam er door het decreet van 28 floréal X (18 mei 1802). Nu werd vervanging een recht, weliswaar in de praktijk enkel voor gegoeden en dat behaagde de bourgeoisie die er zo in slaagde om haar zonen vrij van militaire dienst te houden door het betalen van vervangers. Sommige gemeenten gaven zelf de afkoopsom voor hun opgeroepenen.

Het decreet van 8 nivôse XIII (29 december 1804), Napoleon is dan al 2 jaar uitgeroepen door de Senaat tot "consul voor het leven", wil de keuring van de conscrits verstrengen. En die moest onmiddellijk na de lottrekking gebeuren. De keuring was openbaar en gebeurde onder de leiding van de onderprefect van het kanton, die zich liet bijstaan door de recruteringsofficier en een geneesheer (die laatste kreeg geen vergoeding, zodat menige medische keuring "met de Franse slag" verliep).

Wie kleiner was dan 1,57 m werd afgewezen. Wie groter was dan 1,57 m kon nog aan de dienstplicht ontsnappen

  • als hij een vervanger had gevonden
  • als hij een vader had die 71 jaar of ouder was
  • als hij een ernstig lichamelijk gebrek had, bv. een been, arm of voet miste
  • als hij in beroep gelijk kreeg van de recruteringsraad (prefect + commandant van het departement + recruteringsmajoor).

Een voorbeeld ter illustratie. In 1807 werden in de kantons Hamme, Lokeren, Sint-Niklaas en Temse 577 conscrits opgeroepen. Bij de keuring werden 11 personen definitief vrijgesteld om medische redenen, 5 werden afgewezen wegens te kleine gestalte en 33 % doorverwezen naar de recruteringsraad die per kanton 3 zittingen nodig had om alle gevallen te behandelen.

Conscriptie in de Hollandse Tijd (1815-1830)

Met de Hollandse Tijd belandden onze gewesten in rustiger vaarwater. Er waren minder internationale conflicten, de oorlogsdreiging was ver weg. Er was dus geen behoefte aan grote legercontingenten in het Koninkrijk der Nederlanden. Van koning Willem wordt wel eens gezegd "dat hij zich te slapen had gelegd in het bed van Napoleon", want de nieuwe staat nam de regels van de Franse conscriptie bijna ongewijzigd over, dus ook met loting.

Pas op 8 januari 1817 kwam er een wet op de dienstplicht. Slechts kleine contingenten werden onder de wapens geroepen. Klas 1 begon nu op 19 jaar en de theoretische oproepingsperiode bleef 5 jaar. De geografische indeling was als voorheen (met nu wel provincies in plaats van departementen), arrondissementen, kantons en gemeenten. Het dienstplichtsysteem werd verfijnd, ondermeer door een grotere sociale controle. Zo lagen de militielijsten ter inzage op het gemeentehuis en bij elke procedure werd aan het publiek gevraagd of iemand een aanmerking had.

Meteen na de loting werd de conscrit gemeten. Hem werd gevraagd of hij aanspraak kon maken op vrijstelling. Zo ja, dan werd dat genoteerd in conscriptieregisters en naar de provinciegouverneur gezonden.

De keuring gebeurde door 5 personen : een voorzitter door de provincieraad verkozen + een gemeenteraadslid + een hoger officier + een geneesheer en een chirurgijn. Zij konden slechts in een 5-tal gevallen aan de conscrit een definitieve vrijstelling geven , nl. als

  • als hij al voorheen uit het leger was ontslagen
  • als hij in opleiding was om priester te worden
  • als hij enige zoon was van wie moeder of vader overleden was of als enige kleinzoon
  • als hij en zijn broer binnen hetzelfde jaar waren geboren
  • als hij zware gebreken vertoonde "waardoor men nooit in aanmerking kon komen"

Militiewetgeving in de Belgische Tijd (1830-1909)

Dienstplicht en Loting

Door de precaire situatie tegenover het Koninkrijk der Nederlanden had het pas onafhankelijke België nood aan een groot leger. Men hoopte op een massale opkomst van vrijwilligers, maar slechts een beperkt aantal kwam opdagen. Er waren wel wat burgerwachten die snel in het Belgische leger werden opgenomen. Zo was er te Antwerpen een vrijkorps ter bescherming van de Antwerpse haven.

Massale conscriptie moest soelaas bieden. De kans voor de conscrit om een slecht lot te trekken was dus erg groot. Artikel 118 van de nieuwe grondwet stelde dat de wijze van recruteren bij wet zou worden vastgelegd, maar door de omstandigheden schoof men dat op de lange baan. Het Voorlopig Bewind besloot dan maar de militiewet van 1817 te behouden en ook de vervanging te handhaven.

In 1848 trad de wet van 8 mei 1847 op de dienstplicht in voege. De jonge mannen kregen nu hun oproeping in hun twintigste levensjaar. Men hield er voortaan rekening mee dat de meeste recruten nog niet volgroeid waren op de leeftijd van 19.

Door de gebrekkige administratie werkte het systeem van oproeping en loting evenwel ondermaats zodat ontsnappen aan de oproeping mogelijk was. Door het systeem van vervanging konden zowat 10% van de lotelingen zich vrijkopen.

Vrijstellingen waren er

  • voor wie kleiner was dan 1,57 m of aan een zware handicap leed
  • voor wie matroos was bij de handelsvloot
  • als vader zich in 1830 aan de kant van de Belgische opstandelingen had onderscheiden
  • als enige kostwinner
  • als gehuwde

Leopold II wenste een algemene dienstplicht, maar het parlement niet. De meeste parlementairen waren advokaten, gefortuneerde zakenlui en journalisten en de idee om een verandering in het lotelingsysteem aan te brengen was ver van hun bed. Zij konden hun zonen door het systeem van vervanging toch vrijkopen. En vervanging paste perfect in de 19de-eeuwse opvatting over vrijheid.

Vanzelfsprekend werd vervanging door het gewone volk als zeer onrechtvaardig aangevoeld. Het opkomende socialisme eiste naast algemeen stemrecht en inperking van de arbeidsduur ook afschaffing van het lotelingensysteem. Zelfs in militaire kringen dacht men aan het invoeren van een algemene dienstplicht. Toen het Pruisische leger in 1860 Oostenrijk had verslagen – Pruisen kende algemene dienstplicht – begonnen de meeste landen dat ook in te voeren. En toen het Belgische leger bij de Frans-Duitse Oorlog in 1870 ineens 10 klassen opriep, liep dat uit op een regelrechte débacle : te trage en onvolledige oproepingen, te weinig effectieve manschappen, teveel "onvindbaren" en analfabeten.

Maar algemene dienstplicht kwam er niet, de loting bleef. Dus werden alle mannen volgens de wet van 8 mei 1847 opgeroepen in het jaar waarin ze 20 werden. Op affiches en in kranten werd het publiek ervan verwittigd dat ze zich moesten laten optekenen bij de politie voor 22 januari. In de praktijk nam men dat niet zo nauw en liet men latere inschrijvingen toe. Om de sociale controle te vergroten publiceerde men alfabetische namenlijsten van de opgeroepenen, opdat het publiek eventuele "vergetelheden" zou kunnen aanklagen. Op de dag van oproeping konden de lotelingen nog kenbaar maken dat sommige potentiële dienstplichtigen niet op de lijst voorkwamen. Toch kwam verklikking niet veel voor, zeker niet op het platteland waar iedereen iedereen kende.

De wet schreef voor dat de loting ten laatste op 1 maart moest beginnen, maar vele gemeenten namen dat niet letterlijk. Een reden was dat op dat tijdstip de wegen nog besneeuwd konden zijn en dat zou de soms lange mars naar het recruteringskantoor kunnen belemmeren. De potentiële dienstplichtige of zijn ouders ontvingen een oproepingsbevel met de datum van de "droeve maartdag" (dixit Conscience) en de plaats van samenkomst, meestal een herberg. De veldwachter - in zijn beste uniform - moest de jongemannen begeleiden naar de hoofdplaats van het militiekanton. In grotere gemeenten vergezelde de fanfare de mogelijke recruten, zodat het gebeuren een bijna kermisachtige vertoning werd. Ook familieleden, vrienden en nieuwsgierigen liepen mee. Herbergiers en gelegenheidsverkopers van broodjes ("goeie verse pistolets met hesp" vertelt Ernest Claes in "Ik was student") deden die dag gouden zaken. Ook vrouwen met korven papieren rozen verdienden een aardige stuiver aan de dienstplichtigen die hun jas en pet met die bloemen versierden. Iedereen mocht zien wie de lotelingen waren.

De loting was een mijlpaal in het leven van de 20-jarige. Het markeerde het begin van zijn volwassen leven. Voortaan mocht hij – wat ook het resultaat van de lottrekking was – herbergen bezoeken, gaan dansen en meisjes openlijk het hof maken.

Wat als de ingeschreven militieplichtige bv. door ziekte niet aanwezig kon zijn ? Dan mocht vader of een broer het nummer trekken. Was er niemand van het gezin, dan moest de burgemeester trekken. Als die een slecht nummer uitlootte, kreeg hij de schuld.

Wat ook het resultaat van de loting was, bijna steeds eindigde de loting met drinkgelagen. Uitspattingen waren niet te vermijden. Niet zelden vochten de lotelingen met politie of soldaten. Latente vetes tussen families onderling of tussen lotelingen van verschillende dorpen werden bij die gelegenheid uitgevochten. De overheid trad daarbij niet of slechts lauw op. Net als bij carnavalsvieringen waren de lotelingendagen uitlaatkleppen voor het gewone volk. De uitspattingen werden dus getolereerd en heel snel verviel het dagelijkse leven weer in zijn eentonige sleur.

Vrijstellingen

De wet van 1847 voorzag een aantal medische, sociale en economische redenen om een dienstplichtige vrij te stellen. Bemiddelaars zagen er brood in en boden hun diensten aan om een dienstplichtige vrij te krijgen. Hun echte of vermeende kennis van de wetgeving en haar achterpoortjes kon voor heel wat dienstplichtigen leiden tot vrijstelling. Die bemiddelaars deden dat uiteraard niet gratis. Ze betitelden zichzelf als "agenten van affairiën". Het gewone volk dat geen geld had om dergelijke lui te betalen noemde die agenten misprijzend "zielhonden".

De agent van affairiën onderzocht of zijn cliënten kans hadden op vrijstelling. Hij zorgde voor de nodige documenten. Via advertenties in kranten maakte hij zich bekend bij het gegoede publiek. De agent kon ook zorgen voor een eventuele vervanger (straks meer daarover). Naast de bona fide agenten van affairiën waren er ook minder fraaie tussenpersonen die zich bij de minder geletterden als agent kenbaar maakten en na een eerste betaling door hun slachtoffers met de noorderzon verdwenen. Vanzelfsprekend lieten ze geen documenten na.

Iedereen kon de lijsten met de vrijgestelden inzien en protesten tegen die lijsten waren talrijk. In 1847 moest de Bestendige Deputatie van Brabant 809 gevallen van vrijstelling behandelen en dat op een totaal contingent van 1556 man. Toch kregen in 1/3 van de gevallen de aanklagers gelijk, wat leidde tot hun vrijstelling. Toeval of niet, de meeste vrijstellingen werden in Brussel verleend.

Seminariestudenten kregen een jaarlijkse vrijstelling en toekomstige onderwijzers eveneens. Ook wie wou aanmonsteren bij de handelsvloot kreeg vrijstelling. Als een broer tijdens zijn dienst een handicap opliep of overleed, werden de overige broers van het gezin definitief vrijgesteld. De helft van de zonen uit één gezin eveneens. Wie kon bewijzen dat zijn vader in 1830 "krijgsdiensten had bewezen aan het vaderland" kreeg een voorlopige en dikwijls een definitieve vrijstelling. Er waren geen klachten tegen dat soort van vrijstellingen.

20 % van alle vrijstellingen betrof zij die enig en wettig kind waren. Die persoon moest immers later instaan voor de oude dag van zijn ouders. Ongeveer 50 % van de vrijstellingen werd gegeven aan de enige kostwinner van een gezin. Ook een weduwnaar met kinderen ontsnapte aan de dienstplicht, de enige broer van een zwaar gehandicapte eveneens.

Tot voor de wet van 1847 waren ook gehuwden vrijgesteld, want ""een gehuwd man werd geacht dermate met zorgen overstelpt te zijn, dat hij onmogelijk een goed soldaat kon worden"". Het gevolg laat zich raden: voor elke inschrijving voor de loting steeg het aantal huwelijken van 20-jarigen spectaculair. De leeftijd van de bruid was soms even spectaculair. Er zijn gevallen bekend waar de bruid 80 jaar oud was. Wie dacht ook weer dat schijnhuwelijken iets van onze tijd zijn ?

Vele dienstplichtigen trachtten om medische redenen afgekeurd te worden. Kwakzalverij en allerlei hulpmiddeltjes moesten daarbij helpen. Uit de medische rapporten weten we dat de meeste fraudegevallen wel ontdekt werden. De bedenksels waren erg primitief. Zo dacht het ongeletterde volk dat azijn drinken de lichaamslengte zou doen krimpen tot beneden de minimumlengte. Ogen inwrijven met irriterende produkten moest een oogkwaal simuleren. Zeep eten zou geelzucht veroorzaken, enz. Verminkingen waren uiteraard geen simulaties. Als kon bewezen worden dat de dienstplichtige aan zelfverminking had gedaan, werd hij zonder pardon ingelijfd bij de schansgravers waar hem zeer hard labeur te wachten stond.

In de medische archieven vonden we een opdeling van de zware gebreken die aanleiding gaven tot definitieve afkeuring, bv. in 1846 :

  • misvormingen van de onderste ledematen (breuken, kreupelheid, verlammingen, klompvoet, heupontwrichtingen) 32%
  • misvormingen van de bovenste ledematen (breuken, verminkingen, verlammingen, misvormingen aan ruggengraat of borst) 20%
  • gelaatsmisvormingen (kaaksbeen, hazenlip, misvormde neus) 33%
  • gezichtsproblemen (oogvliesontstekingen, myopie, grauwe staar, scheelzien) 6%
  • mentale gebreken (achterlijkheid, idiotisme, dementie en waanzin) 4%
  • doofheid en "niet kunnen horen tijdens het spreken" 2%    
  • spraakstoornissen (stomheid, stotteren, "uitdoving van het stemvolume") 2%
  • doofstomheid 0,4%
  • blindheid 0,15%
  • combinatie van verscheidene zware gebreken 1%

Vervangingen

Had iedereen nog evenveel kansen bij de loting, dan was dat niet meer zo door de mogelijkheid tot vervanging. Dat was een typische 19de-eeuwse interpretatie van de begrippen vrijheid en gelijkheid. Geld kon het slechte lot ten goede keren en daar wisten de beter gesitueerden best mee te leven. Ze deden daarom beroep op de agenten van affairiën die loteling en vervanger met elkaar in contact brachten.

Wie kon vervanger zijn ? Enkel zij die na het beëindigen van de eigen dienstplicht zich tegen betaling ter beschikking stelden om in iemand anders plaats te dienen. De vervangers waren bijgevolg allemaal ouder dan 25 jaar. Aanvankelijk mochten ze niet ouder zijn dan 30, maar de wet van 1847 verhoogde de leeftijdsgrens tot 35.

Een aparte vorm van vervanger was de nummerverwisselaar. Die behoorde meestal tot hetzelfde kanton of dorp als de loteling wiens plaats hij innam. Hij ruilde dus tegen betaling zijn eigen "goede" lot voor het slechte van een andere jaargenoot.

Als de vervanger ziek werd tijdens de eerste twee maanden van de vervangdienst, dan was de afgekochte verplicht om binnen de 2 maand een andere vervanger met vers geld te strikken.

En deserteerde de "remplaçant" tijdens de eerste 18 maand, dan moest de afgekochte weer binnen de 2 maand een andere vervanger zien te vinden. Chantage en afpersing door die remplaçanten was niet ongewoon. "Geef me geld of ik deserteer" …

Tussen 1830 en 1834 waren 14% van de soldaten vervangers, nadien zakte dat cijfers beneden de 10 %. De beroepen van die vervangers zijn alle te situeren in de laagste loongroep. Het waren wevers, schoenlappers, werklui, dienstboden en koewachters. Ze waren meestal ook ongeletterd.

Remplaçanten mochten gehuwd zijn, maar moesten bewijzen dat ze konden instaan voor het onderhoud van hun gezin. Voorts was een getuigschrift van goed gedrag vereist. Voor de gewezen militair moest de vroegere korpscommandant dat afleveren. De burger-remplaçant kreeg dat gemakkelijk van de gemeente die op die wijze van een lastpost verlost geraakte. Want remplaçanten hadden een barslechte naam, zowel bij burgers als bij militairen. In de strafcompagnies waren tot 90% van de soldaten vervangers. Velen van hen zagen desertie als enige uitweg om uit die strafcompagnies weg te geraken. 2/3 van de deserteurs waren remplaçanten.

Desertie was zelfs in vredestijd een zwaar misdrijf en gevangenschap volgde voor wie gesnapt werd. Wie meer dan eens deserteerde kreeg drie jaar "brouette". De gestrafte werd dan gedurende 3 jaar vastgeketend aan een kruiwagen waarmee hij de hele strafperiode dwangarbeid moest verrichten.

De bemiddelaars

Sommige gegoede burgers trachtten via advertenties in een krant een remplaçant te vinden voor zoonlief met een slecht lot. Kranten waren duur, maar werden ook in herbergen gelezen, een uitgelezen terrein voor tussenpersonen die aldaar hun bemiddeling trachtten te gelde te maken. Omdat de formaliteiten zo omslachtig waren, bleken (gewezen) lagere ambtenaren de geschikte tussenpersonen te zijn. De agenten van affairiën noemden zichzelf ook wel eens "agenten-generaal voor de nationale militie". Ook zij plaatsten advertenties in de krant om hun diensten aan te prijzen. Vooral in grote steden waren de bemiddelaars erg actief.

De kostprijs voor een vervanging

In de wet van 1817 was het bedrag voor vervanging op 1600 frank vastgesteld, maar in sommige streken bedroeg het in de praktijk slechts 300 frank. In Luik kostte een vervanging 1370 frank en dat bedrag was hoog genoeg om een eenvoudige woning te kopen.

Hoe slechter de economische toestand, hoe meer mensen zich aanboden als vervanger en hoe lager de kostprijs zakte. In perioden van voedselschaarste groeide het aantal vervangers heel sterk aan, want in het leger had men tenminste een dak boven het hoofd en voldoende te eten.

De mislukte oogst van aardappelen in 1845 en de eveneens mislukte oogst van rogge in 1846 én de tyfusepidemie in de winter van 1847-1848 deden de prijzen voor vervangers enorm dalen. Er zijn vervangingen in die periode genoteerd die 200 frank of zelfs maar 100 frank opbrachten.

Bij een vervanging moesten altijd 2 contracten worden opgesteld :

  • een tussen de loteling(-ouders) en het leger
  • een tussen de loteling en de afkoper (registratie moest bij een notaris)

Duur van de legerdienst

In ons collectieve geheugen zit de idee dat de legerdienst toen vele jaren duurde. Omdat hij voortdurend varieerde en de soldaten na hun dienst nog gedurende verscheidene jaren oproepbaar waren, lijkt dat zo te zijn geweest. Wel duurde de militaire dienst langer als de internationale situatie verslechterde, van 15 tot 30 maand. Eliteregimenten (grenadiers en karabiniers) en bereden troepen (cavallerie en artillerie) 3 tot 6 maand langer.

In 1841 stemde het parlement ermee in dat de verlenging van de oproepbaarheid 8 jaar mocht bedragen. Toch bleef de eigenlijke legerdienst tot 1848 relatief kort. In de tijd waarin Conscience's "De Loteling" zich afspeelde (omstreeks 1835) duurde hij 11 maand, de wederoproepingen niet meegerekend. Die gebeurden meestal in de zomer en duurden van 10 dagen tot 5 weken. Vooral de boerenbevolking zag met lede ogen aan hoe tijdens de oogstperiode hun soldaat werd opgeroepen.

Verloven werden voorgesteld als gunsten, maar waren eigenlijk bezuinigingen. Om brandstof te besparen in de kazernes werden collectieve verloven meestal in de winter gegeven.

Hygiëne en gezondheid

Vele ziekten die toen levensbedreigend waren zijn nu vrijwel verdwenen. De legeroverheid was ten zeerste beducht voor epidemiën. Moeraskoorts, tyfus, cholera, schurft, pokken, roodvonk, rode hond, oogziekten en venerische aandoeningen konden hele legercontingenten decimeren. Moeraskoorts kwam heel frequent voor. Tyfus maakte tot 10 % dodelijke slachtoffers, cholera en griep nog meer. Zowat 10 % van de patiënten in legerhospitalen leed aan venerische ziekten. Schurft was heel frequent en verspreidde zich via de onhygiënische strozakken.

Oogziekten waren zo talrijk dat men sprak over de plaag van de "ophtalmie militaire". In 1834 werden 6452 militairen voor oogkwalen in hospitalen opgenomen. De militaire overheid deed ten einde raad beroep op de Berlijnse hoogleraar Jüngken. Die adviseerde om alle zieken naar huis te zenden. Herinner u Jan uit "De Loteling" die voor een oogkwaal werd opgenomen in het militaire hospitaal en ook na advies van een Duitse arts naar huis mocht.

Meestal betrof het ontstekingen van het oogbindvlies. Adekwate behandeling was er niet. De geneesheren zagen als oorzaken vochtig of te heet weer, teveel wind, pijproken of venerische ziekten.

Het kazerneleven

Bij zijn intrede in het leger verloor de recruut voor geruime tijd zijn traditionele band met gezin, vrienden, buurt- en dorpsgemeenschap. De wet van 1817 schreef voor dat de soldaten bij voorkeur met lotgenoten uit een zelfde provincie zouden worden gekazerneerd, uitgezonderd cavalerie, artillerie en logistiek. Dat hield niet in dat bv. Antwerpenaren in de eigen provincie terecht kwamen. Wie bij de speciale wapens diende, was ver van huis gekazerneerd. Zo zaten (of lagen) de Brabantse artilleristen in Ieper en de Oost-Vlamingen in Luik.

Er werd veel gemuteerd onder andere om medische redenen. Toen het 6de Linie in Zeeuws-Vlaanderen 700 man had verloren door moeraskoorts – dat was in 1834 – beval de minister van Oorlog de mutatie naar Namen en Leuven. Andere mutaties moesten vermijden dat de soldaten te gemeenschappelijk zouden omgaan met de burgerbevolking. Dat gemeenschappelijke uitte zich ook door uitspattingen na drinkgelagen, vechtpartijen (soms met wapens) en prostitutie.

Streekgebondenheid werd niet getolereerd en zwaar bestraft. Het gevolg was dat de dienstplichtigen meestal ver van huis gekazerneerd waren. Wie het kon betalen nam bij verlof de trein naar huis, maar spoorwegkaartjes waren duur en de spoorweglijnen nog zeer beperkt. De meeste dienstplichtigen konden maar sporadisch naar huis en dat gebeurde vrijwel altijd te voet. Briefwisseling bleef een voorrecht voor de min of meer geletterden, zowel in de kazerne als op het thuisfront.

De beveltaal van het leger was het Frans. Aan officieren werd enkel gevraagd – niet geëist – " de parler et écrire, s"il est possible, au moins une autre langue vivante". De facto moest men er toch rekening mee houden dat de Vlaamse soldaten geen woord Frans verstonden. De bevelhebber gaf de orders in het Frans en een lagere in rang moest dan maar vertalen in het Vlaams (of in wat daarvoor moest doorgaan). Gewoonlijk eindigde zo'n bevel in het Frans met het u allen welbekende zinnetje   … "et pour les Flamands la même chose".

Hoewel diverse pogingen in het parlement ondernomen werden, zou het lotingssysteem blijven bestaan tot 1909. Pas toen schakelde men als laatste Europees land over naar algemene dienstplicht.

Sta me toe te eindigen met een authentieke uitspraak van een van de laatste lotelingen. Hij was erin geloot in 1907 of 1908, had zijn dienstplicht volbracht bij de artillerie en hoopte daarna voor goed van het soldatendom verlost te zijn. Maar in 1914 werd hij opgeroepen en 4 jaar loopgraven aan de IJzer waren zijn deel. Toen hij na november 1918 dan uiteindelijk gedemobiliseerd werd, vroeg men hem wat hij nu wou gaan doen in het burgerleven. En in zijn antwoord lag eigenlijk de tragiek besloten van alle zonen van het kleine, arme, onmondige volk die als loteling moesten dienen in het "Armée des Pauvres".

"En, wat wou je nu gaan doen in het burgerleven ?"

"Ik ? Een kanon kopen en voor mezelf beginnen !"


laatst bijgewerkt door Roland Doclo, 30-juli-2008